Archeologische Kroniek Utrecht

De Bilt: losse vondsten en meldingen

  1. In augustus 1970 werd op het terrein van het meteorologisch instituut door de heer J.W.H. Meijer te De Bilt een ronde middeleeuwse waterput aangetroffen. De bodem van de put lag op circa 4,5 m beneden het huidige maaiveld. De put zelf was opgebouwd uit- soms duidelijk secundair gebruikte baksteen; afmetingen: (onderste 1,25 m) 30,5×15,5×7,5 cm, (daar­boven) 28/28,5×14,5×6,5 cm. De stenen in de bovenste lagen waren gemet­seld met specie, die daaronder waren gebed in klei. De wand van de kuil, waarin de put was opgezet, bleek aan een zijde verstevigd te zijn door middel van verticale houten planken. Door de hele opvulling van de put heen werden scherven van blauw-grijs aardewerk en steengoed aangetroffen; datering 14de-15de eeuw.Waarschijnlijk heeft de waterput behoord tot het Vrouwenklooster, dat hier tot het eind van de 16de eeuw heeft gestaan.
  2. Leden van de AWN, zoekgroep zandgronden, vonden in 1972 op het landgoed De Leyen een vuursteen-afslagje van mogelijk neolithische ouderdom.
  3. Eveneens in 1972 vonden leden van dezelfde groep enige Romeinse aardewerkscherven langs de Biltse Grift, niet ver van het KNMI. Ze zijn te dateren in de 1ste eeuw na Chr. Waarschijnlijk zijn zij afkomstig uit grond die is aangevoerd uit de binnenstad van Utrecht.

Bron:

  • Archeologische Kroniek Provincie Utrecht 1970-1979
  • Provincie Utrecht en Stichting Publicaties Oud-Utrecht, 1996

De Bilt Burg. de Withstraat hoek Tuinstraat

P.K.J. van der Voorde

Het eerste archeologische onderzoek in het centrum van De Bilt heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan de reconstructie van de geschiedenis van dit dorp. Ruim voor de eerste vermelding, aan het einde van de 12de eeuw, werd het terrein ontgonnen door het graven van afwateringssloten. Reeds in de 13de eeuw werd het terrein bebouwd en is dit in latere perioden altijd gebleven. Tijdens het onderzoek werden dan ook overblijfselen teruggevonden die dateren uit de 12de tot 19de eeuw.

Voor de bouw van een onderkelderde flat in De Bilt moest het terrein op de hoek van de Burgemeester de Withstraat en de Tuinstraat ongeveer twee meter diep ontgraven worden. Dankzij de medewerking van de bouwer, Lisman en Lisman uit Zeist, werd deze ontgraving trapsgewijs uitgevoerd. Dit gaf de Onderzoeksgroep Zandgronden van de AWN afdeling Utrecht e.o. in november 1987 de gelegenheid om voor de eerste keer onderzoek te doen naar het ontstaan van de nederzetting De Bilt.

In de diepste laag waren twee verkavelingssloten te zien op een afstand van ongeveer tien meter. De sloten tekenden zich als donkere banen af in het ongestoorde zand en waren gevuld met kleiig zand vermengd met organisch materiaal. Ditzelfde werd in twee kuilen aangetroffen. In de vulling van deze kuilen werden kogelpotscherven, onder ander uit Paffrath, een scherf van een groot voorraadvat, blauwgrijs, waarschijnlijk uit Elmpt-Brüggen afkomstig, en een vloertje van kloostermop-brokken van 1×1,5 meter aangetroffen. Het geheel moet in de 13de eeuw gedateerd worden.

Verder werd ook een aantal paalgaten met schorsresten gevonden die mogelijk uit dezelfde periode dateren. Aangenomen moet worden dat het terrein is ontgonnen in de 12de eeuw (verkavelingssloten) waarna er in de 13de eeuw bebouwing heeft plaatsgevonden. Bijna een halve meter hierboven werd een fundering van kloostermoppen in situ aangetroffen: één laag dik, drie stenen breed, twee meter lang. Ook werd een gedeelte van een eind 14de-eeuws keldertje met een vloertje van plavuisjes gevon­den, die vóór verder onderzoek ontvreemd werden.

Naast het keldertje werd het restant van een tonput opgegraven waarin I5de-eeuwse scherven aangetroffen werden. Uit deze periode werd grijs, reducerend gebakken aardewerk met stand lobben gevonden, waarschijnlijk een melkteil, mogelijk Utrechts rond 1400, en Siegburger steengoed. Misschien is rond 1400 het aanvankelijk houten gebouw vervangen door een stenen huis, of in ieder geval door een stenen kelder. In de kelder werd een nagenoeg complete Deense Jydepot van 25 cm hoog gevonden op drie pootjes en met twee oren, staande op de vloer.

KB_BO_Archeologie_Jydepot

Literatuur:

  • Cleij TJ, Een archeologisch onderzoek in het centrum van De Bilt, verslag en resultaten, Utrecht 1988
  • Fokkens F, ‘Een archeologisch onderzoek in het centrum van De Bilt’, in: Jaarverslag AWN-afdeling Utrecht e.o 1988,16-20

Bron:

  • Kok DH, Dockum SG van, Vogelzang F (red)
  • Archeologische Kroniek Provincie Utrecht 1988-1989
  • Provincie Utrecht en Stichting Publicaties Oud-Utrecht, 1996

De Bilt, Oostbroek

W.J. van Tent

Boringen wezen uit, dat op het terrein van de voormalige Benedictijner St. Laurentiusabdij Oostbroek muurresten en grachten aanwezig zijn. Een deel van de grachten is trouwens nog zichtbaar. Onder een omgewaaide boom, niet ver van het huidige landhuis, is eveneens muurwerk waargenomen. Om al deze redenen is het zeer waarschijnlijk, dat van dit belangrijke klooster nog aanzienlijke resten in de bodem bewaard zijn gebleven.

KB_BO_Archeologie_Oostbroek
Het inmiddels deels gesloopte en tot hofstede omgebouwde klooster van Oostbroek op een tekening van 1786.

Het klooster is gesticht door enkele bekeerde ridders, van wie er twee namen zijn overgeleverd: Hermannus en Theodoricus. Het klooster kreeg al snel land geschonken in het moerassige gebied rond Oostbroek. De eerste oorkonde, die op de stichting betrekking heeft, dateert uit 1122, maar het klooster moet toen al enige tijd hebben bestaan. Het vormde aanvankelijk een dubbelklooster, met dus zowel monniken als nonnen.

Later werd een apart Vrouwenklooster gesticht, in De Bilt (resten van deze abdij maken deel uit van de gebouwen van het KNMI), dat in de tweede helft van de 14de eeuw zelfstandig werd. In zijn bloeiperiode was het abdij complex zowel een centrum van religieus leven als ook het concentratiepunt voor plaatselijk bestuur en rechtspraak. Het einde kwam in het laatst van de 16de eeuw: de gebouwen werden (deels?) gesloopt in de jaren 1580/81, de laatste abt stierf in 1588.

Literatuur:

  • Buijtenen MP van, Meijer de AK. Herfsttij over Oostbroeks abdij, Politiek rond abtsbenoeming uit de nadagen, gespiegeld aan het begin, Zeist 1990
  • Damsté PH, Oostbroek en De Bilt. De geschiedenis van een ambachtsheerlijkheid, Zutphen 1978

Bron:

  • Kok DH, Dockum SG van, Vogelzang F (red)
  • Archeologische Kroniek Provincie Utrecht 1990-1991
  • Provincie Utrecht en Stichting Publicaties Oud-Utrecht, 1997

De Bilt, KNMI/Vrouwenklooster

J.P. ter Brugge

In april, mei en december 1995 werd door de ROB (Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek) en de assistent van de provinciaal archeoloog onderzoek uitgevoerd op het terrein van het KNMI in De Bilt. Een nieuw te bouwen vleugel van dit instituut betekende een waarschijnlijke verstoring van een deel van het zogenaamde ‘Vrouwenklooster’, dat hier tot 1585 als zodanig gefunctioneerd heeft.

Met bereidwillige medewerking van provincie, gemeente De Bilt en het KNMI kon een tweetal opgravingsputten worden aangelegd, waarvan de ligging werd bepaald via een grondbooronderzoek. Het archeologisch onderzoek werd voorafgegaan door een in opdracht van de gemeente De Bilt geschreven rapport, waarvoor inventarisaties werden uitgevoerd van de beschikbare archivalische en andere historische bronnen, de nog beschikbare bouwhistorische informatie en de archeologische sporen en vondsten die in het verleden zijn opgetekend en verzameld.

KB_BO_Archeologie_Vrouwenklooster
Kopergravure (ca 1745) “Het Vrouwenklooster aan de Bilt bij Utrecht” door H. Spilman

Het Vrouwenklooster werd naar alle waarschijnlijkheid in de eerste helft van de 12de eeuw gesticht, alhoewel de bronnen daar geen eenduidige uitspraken over doen. De vondst van fragmenten tufsteen in de jaren zestig is een bevestiging van deze theorie. In het klooster woonden adellijke monialen, die leefden naar de regel van de heilige Benedictus. Samen met de St Laurensabdij in het nabijgelegen Oostbroek vormde het een zogenaamd ‘dubbelklooster’.

Van oorsprong behoorden mannelijke en vrouwelijk kloosterlingen tot dezelfde kloosterstichting. Ook toen de vrouwelijke ingezetenen een eigen kloostervestiging kregen bleven zij religieus en economisch onderhavig aan het gezag van de abt van de St Laurensabdij.

De historische gegevens geven weinig uitsluitsel over de bouwgeschiedenis van het klooster. Bekend is dat het klooster rond 1500 is afgebrand en dat nadien grootschalige vernieuwingen hebben plaatsgevonden. In de 15de- en 16de eeuw zijn verschillende gebouwen toegevoegd aan het complex, mogelijk gemaakt door schenkingen van zusters en/of hun families.

Gebouwen en direct aanpalend grondbezit lagen tussen de Hoofddijk en de daarlangs lopende wetering en de Steenstraat/Utrechtseweg. Tot het complex behoorden in ieder geval een kerk met torens en westwerk, een pandhof, kapittelhuis, abdiswoning, slaapvertrekken, eetzalen, keukens, priesterhuis, ziekenhuis, boerderij, timmerloods, een windmolen en enkele poorten.

In 1585 werd tijdens de Reformatie een belangrijk deel van de gebouwen in de as gelegd. Toch bleef tenminste enig muurwerk en mogelijk zelfs complete gebouwen bewaard. In de kelder van het oude hoofdgebouw van de KNMI dateert de kelder bijvoorbeeld in aanleg uit de 15de eeuw, terwijl in ditzelfde gebouw ook muurresten uit de kloosterperiode de tand des tijds hebben doorstaan. Mogelijk dat 18de-eeuwse afbeeldingen van gebouwen van de hier later gebouwde buitenplaats, genaamd Het Klooster, nog een beeld geven van deze oudere bebouwing.

De eigendom van gebouwen en landerijen kwam na 1585 bij de Staten van Utrecht. Vanaf het midden van de 17de eeuw werden delen aan een welgestelde familie verkocht en in erfpacht gegeven, die hier een buitenplaats liet bouwen, mogelijk als verbouwing van het vermelde kloostergebouw met kelder.

In de 19de eeuw volgde een verdere verbouwing van het huis, dat, na enkele malen van eigenaar te zijn gewisseld, in 1893 in gebruik kwam bij het meteorologisch instituut (KNMI). Grote delen van het bijbehorende terrein, ingericht als tuin of ‘Kloosterpark’, werden aangewend als vestigingsplaats voor villa’s. In de jaren 1966-1968 breidde het KNMI flink uit. Er werd riolering aangelegd, hetgeen gelegenheid bood voor een aantal archeologische waarnemingen, waarbij muurresten uit de late Middeleeuwen en uit later tijd werden gezien.

Het was niet direct mogelijk deze muren met uit historische bronnen bekende gebouwen te verbinden. Opvallend is wel dat alle aangetroffen muurresten vrijwel noord-zuid, dan wel oost-west waren georiënteerd, hetgeen correspondeert met de oude verkaveling en de gewenste oriëntatie van de kloosterkerk. Het losse vondstmateriaal, voornamelijk vaatwerk, dateerde uit de 12de tot en met 19de eeuw. In 1995 richtte het onderzoek zich op een strook grond die in het kader van een nieuw te bouwen vleugel van het KNMI op de schop genomen zou worden.

De archeologische rijkdom van de directe omgeving maakte het aannemelijk dat de kloosterresten zich ook hier zouden uitstrekken. In samenspraak met de gemeente werd door middel van grondboringen bepaald of nader onderzoek benodigd was. Dit verkennende onderzoek wees uit dat dit zeker uitgevoerd moest worden, maar dat het terrein niet in aanmerking kwam voor duurzaam behoud. Het booronderzoek werd gevolgd door een korte opgravingscampagne. In totaal werden drie opgravingsputten met een oppervlakte van in totaal ca 620 m2 gegraven.

Een belangrijk deel van het opgegraven areaal bleek verstoord te zijn door (sub-)recente ingravingen in de vorm van een latere kelder en van leiding- en kabelsleuven. Muurfragmenten van bakstenen werden niet aangetrof­fen, hetgeen waarschijnlijk het gevolg is van een grondige sloop van de opstallen ter plekke of een latere egalisatie van het terrein. Desondanks werd in de met name twee noordelijke opgravingsputten vlakbij de 19de-eeuwse bebouwing een grote hoeveelheid sporen gedocumenteerd. Het betreft een reeks van forse paalsporen, die, gezien hun onderlinge oriëntatie, gelegenheid bieden om uitspraken te doen over hun mogelijke functie.

KB_BO_Archeologie_Opgravingen_KNMI
Opgravingsput 1 met lange palenrij en gebouwen KNMI op de achtergrond.

De paalgaten vormen een patroon dat bestaat uit een lange lineaire baan van (tenminste) 23 m lengte en een min of meer vierkante zware constructie van ca 12×12,5 m beide ongeveer noordnoordoost/zuidzuidwest georiënteerd. Laatstge­noemde paalzetting lag direct tegen en aan het schijnbare einde van de eerstgenoemde structuur, waarmee deze beide tot eenzelfde bouwperiode behoren. De, meest vierkante of rechthoekige, paalkuilen variëren in afmeting tussen 25/30×30/65 cm en zijn 15 tot 45 cm diep.

In enkele grote en diepe paalkuilen zijn resten van de houten palen gevonden, waaronder bij een enkele een bakstenen slof of plateau werd aangetroffen. Dit fenomeen werd voornamelijk aangetoond bij de hoekpalen van de vierkante paal-zetting, hetgeen aantoont dat deze een zwaarder bovenwerk moet hebben gehad dan de andere structuur. Deze constructie bestond verder uit een dubbele paalzetting, die een vierkant van ca 3,25×3,25 m omvatte. Aan de noord- en westzijde was de paalzetting driedubbel, waarschijnlijk behorende tot een buitenmuur.

Binnen de palenconstructie bevond zich een ca 30 cm diepe ingraving, beschoeid met vlechtwerk van twijgen en gevuld met donker humeus puinig zand. Mogelijk dat deze inwendige structuur bedoeld was als grondversterking ten behoeve van de zware opgaande constructie. Aan de oost- en zuidzijde werd een ca 30 cm brede uitbraaksleuf van een muurwerk aangetroffen. Het betreft hier naar alle waarschijnlijkheid de basis van inpandig opgaand muurwerk. Hoewel slechts een klein gedeelte van een naar verwachting veel grotere plattegrond is opgegraven lijken de opgegraven structuren te duiden op een onderdeel van de kloosterkerk. Met name de zware, haast vierkante, constructie vormt hiervoor een aanwijzing.

Gezien de hoekpositie en de zwaarte van zowel de paalzetting als de paalkuilen zelf is het aannemelijk dat hier één van de beide kerktorens heeft gestaan. Gezien het verloop van de dubbele palenrij in oostelijke richting lijkt het de westelijke van de twee torens te zijn, waartussen één van de kopgevels stond. Helaas ontbreekt verder bewijsmateriaal voor deze interpretatie, zoals bijvoorbeeld muurwerk. Wat betreft de originele constructie wordt gedacht aan een palen-/plankenfundering waarop het zware muurwerk gefundeerd zal zijn geweest.

Het inpandige en daarmee lichtere muurwerk van de toren had geen noodzaak voor een dergelijke fundering. In de paalkuilen werd geen ander dateerbaar vondstmateriaal aangetroffen dan 13de/14de-eeuwse baksteenfrag­menten, brokken tuf- en leisteen en los schervenmateriaal uit de 14de tot en met 16de eeuw. Niet vastgesteld kon worden wanneer de grote structuren zijn aangelegd, een probleem dat vaker bij bouwwerken van religieuze aard voorkomt. Nader onderzoek zal moeten aantonen of hier inderdaad sprake is van de kloosterkerk. De oude hypothese dat de kerk aan de Kloosterlaan heeft gestaan is door dit nieuwe onderzoek onzeker geworden.

Nabij de paalconstructies werden verder nog een secundaire bakstenen put en enkele (afval-?) kuilen opgegraven. De derde, zuidelijk gelegen, opgravingsput bevatte een (afval-?)kuiltje en een klein aantal in lijn georiënteerde paalkuilen, die verder echter geen duidelijke aanwijzing vormen voor een gebouwvorm. Ook voor deze sporen geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is voor explicietere interpretaties.

Literatuur:

  • Kolman ChJ. Het Vrouwenklooster te De Bilt 3 dln, De Bilt, 1994
  • Meijer JWH. Vrouwenklooster. Beknopte geschiedenis van ‘seker Joffrouwenklooster genaemt Vrouwen­klooster ‘t enden van de Steenstraet bij De Bilt en wat de aarde daarvan nog bewaarde, Bilthoven, 1968

Bron:

  • Kok DH, Dockum SG van, Vogelzang F (red)
  • Archeologische Kroniek Provincie Utrecht 1994-1995
  • Provincie Utrecht en Stichting Publicaties Oud-Utrecht, 1998

De Bilt, Wilhelminalaan 20

A. van Rooijen

Vondsten van menselijke skeletdelen, gedaan in 1991, werden door de heer Vernooij in 1997 gemeld. De vondstomstandigheden zijn curieus: een konijn heeft de resten in de achtertuin opgegraven. Op basis van de schedel en kaakresten wist Tj. Pot te reconstrueren, dat het gaat om één (?) volwassen menselijk indivi­du van tenminste 45 jaar, mogelijk vrouwelijk.

Ongetwijfeld is er een verband met het Vrouwenklooster, waarvan ook bij de nieuwbouw op het KNMI-terrein overblijfselen zijn gevonden. Zie hiervoor de Archeologische Kroniek Provincie Utrecht 1994-1995.

Bron:

  • Kok DH, Dockum SG van, Brugge JP ter, Vogelzang F (red)
  • Archeologische Kroniek Provincie Utrecht 1996-1997
  • Provincie Utrecht en Stichting Publicaties Oud-Utrecht, 1998

De Bilt, Orionlaan/Pluvierlaan

C.S.I.Thanos

In september 1999 heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau een archeologische kartering uitgevoerd in het plangebied Orion/Pluvierlaan, gemeente De Bilt (0,3 ha groot). In het plangebied zijn restanten van een esdek aangetroffen met een dikte van 50 tot 80 cm. Op plaatsen waar geen esdek is aangetroffen, is een dikke bouwvoor aanwezig.

Zowel in het esdek als in de bouwvoor zijn tijdens het booronderzoek uitsluitend postmiddeleeuwse vondsten aangetroffen. Onder het esdek en de bouwvoor bleek het natuurlijke bodemprofiel verstoord te zijn. Het onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van archeologische resten.

Literatuur:

  • C.S.I. Thanos, C.S.I., Plangebied Orionlaan/Pluvierlaan: gemeente De Bilt; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1), RAAP-Briefverslag 1999-1986/MW (Amsterdam 1999)

De Bilt, Dorpsstraat en omgeving

C.N. Kruidhof

In opdracht van de gemeente De Bilt heeft RAAP op 15 augustus 2002 een inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd in verband met de ontwikkeling van het bestemmingsplan voor het gebied Dorpsstraat en omgeving in de gemeente De Bilt. Het plangebied ligt in de hoek DorpsstraatSoestdijkseweg en omvat de percelen met de kadastrale nummers 4983, 4984 en 4988. Ten tijde van het onderzoek was het plangebied in gebruik als tuin en lag deels braak.

Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied ligt in de historische stads- of dorpskern van De Bilt. Dit betekent dat in de ondergrond archeologische resten uit de ontstaansperiode van het dorp kunnen worden aangetroffen. Tegenover het plangebied, aan de andere kant van de Dorpsstraat, ligt een laatmiddeleeuwse vindplaats. Hier zijn tijdens een noodopgraving vele aardewerkscherven en archeologische grondsporen aangetroffen (zoals greppels, paalkuilen, een water-put en kelders).

Op de kadastrale minuut van 1832 is de huidige bebouwing aan de Dorpsstraat al aanwezig. Achter het huidige pand Dorpsstraat 21 lagen enkele arbeidershuisjes, die bekend stonden als ‘het steegje van Van Santen’. Het is niet duidelijk wanneer deze huisjes zijn gebouwd. In 1955 zijn ze onbewoonbaar verklaard en in 1983 zijn ze gesloopt. Het terrein van het huidige pand Dorpsstraat 27 en de achterliggende tuin waren in 1832 in gebruik als boerenhofstede. Al vanaf de 17de eeuw stond op deze percelen een hofstede en het is mogelijk dat er een laatmiddeleeuwse voorganger is geweest.

Uit de geomorfologische kaart valt af te leiden dat het plangebied waarschijnlijk ligt in een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden. Op basis van het bureauon-derzoek gold een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Steentijd tot en met de Romeinse tijd. Gezien de ligging binnen de historische stads- of dorpskern van De Bilt gold een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd.

Verder blijkt uit het bureauonderzoek dat in het plangebied fundamenten van gebouwen uit onder meer de 17de en de 19de eeuw kunnen voorkomen. Het booronderzoek is uitgevoerd met een Edelmanboor met een diameter van 12 cm en een gutsboor met een diameter van 3 cm. Het opgehoorde materiaal is gezeefd met een zeef met een maaswijdte van 0,5 cm. In totaal zijn elf boringen verricht tot een diepte van maximaal 1,75 m onder het maaiveld. In vier boringen (gezet ten zuiden van de op de kadastrale minuut aangegeven locatie van de arbeiderswoninkjes) is ondoordringbaar puin aangetroffen.

Dit hangt waarschijnlijk samen met de huisjes uit de vroege 19e eeuw (of ouder) die tot 1983 op deze locatie hebben gestaan. Het kan zijn dat het losliggend puin van de gesloopte arbeiderswoninkjes betreft. Het is ook mogelijk dat er na 1832 nog meer huisjes zijn gebouwd achter de oorspronkelijke arbeiderswoninkjes en dat het om fundamenten in situ gaat. In de overige boringen is onder een humeuze laag met veel recent puin, plastic en glas het ongestoorde dekzand aangetroffen op een diepte variërend van 0,5 tot 1,5 m onder het maaiveld.

In een boring is op 0,5 m beneden het maaiveld nog een restant van een B/C-horizont aangetroffen; in de overige boringen is direct onder de humeuze laag de C-horizont aangetroffen. Er waren duidelijke sporen van afgraving/ontgronding. Ondanks de verstoring van de bodem kunnen in het plangebied eventueel nog dieper ingegraven grond sporen aanwezig zijn. Gedacht kan worden aan vergelijkbare sporen als zijn aangetroffen tijdens de opgraving in de Burgemeester de Withstraat/hoek Tuinstraat.

Op basis van het historisch kaartmateriaal, het in de boringen aangetroffen ondoordringbare puin, de ligging van het plangebied in de historische stads- of dorpskern en de uit de directe omgeving bekende archeologische vondsten is aanbevolen om de geplande graafwerkzaamheden in een deel van het plangebied archeologisch te laten begeleiden.

Literatuur

  • C.N. Kruidhof, Plangebied Dorpsstraat en omgeving, gemeente De Bilt; een inventariserend archeologisch onderzoek, RAAP-notitie 193 (Amsterdam 2002)

De Bilt, signaleringen en vondstmeldingen

A. van Rooijen

M. de Graaf onderzocht in De Bilt, Blauwkapel de geschiedenis van Tienhuizen vanaf ca 1700 tot nu. In de fundering van acht huizen aan de Voordorpsedijk zitten hergebruikte 17de-eeuwse bakstenen, waarschijnlijk van de boerderij die er eerder stond. Dit bleek bij een waarneming in een sleuf voor de gevel en onder de tuinpaden. Schuin tegenover de Tienhuizen stond de oude boerderij ‘t Haentje, die ook staat op de waterstaatskaart van 1640.